Een nieuw licht op de HSMR




De gegevens op deze pagina zijn met zorg samengesteld op basis van de opgaven van de desbetreffende instellingen. Voor de juistheid, volledigheid en/of actualiteit van deze gegevens kan echter niet worden ingestaan. Iedere aansprakelijkheid ten aanzien van de juistheid, volledigheid en/of actualiteit van deze gegevens wordt uitdrukkelijk uitgesloten.
De grafiek bestaat uit 4 kwadranten. Hieronder volgt een toelichting:
(houdt de muis boven een kwadrant om gedetailleerde toelichting te zien)
Hoge ruwe sterfte, lage HSMR
Hoge ruwe sterfte, hoge HSMR
Lage ruwe sterfte, lage HSMR
Lage ruwe sterfte, hoge HSMR
Er is veel te doen over de betrouwbaarheid en validiteit van de HSMR als indicator voor kwaliteit en patiëntveiligheid. De vraag is of met de HSMR academische ziekenhuizen benadeeld worden vanwege hun specifieke patiëntpopulatie. Kleinere algemene ziekenhuizen geven overigens vaak aan dat zij relatief veel uitbehandelde patiënten opnemen, wat een hogere HSMR zou kunnen veroorzaken. Een andere twistpunt gaat over de betrouwbaarheid. Het is bekend dat er codeervariatie bestaat tussen ziekenhuizen. Dit beïnvloedt de vergelijkbaarheid van de HSMR eveneens. Om een nieuw licht op de kwestie te werpen, zetten we de HSMR uit tegen de ruwe sterfteratio. Het ruwe sterfteratio wordt berekend door de ruwe sterfte van een ziekenhuis te delen op de landelijke ruwe sterfte, binnen de 50 diagnosen van de HSMR. Deze hebben geïndexeerd op 100, zoals dat bij de HSMR ook gebeurt. De ruwe sterfteratio is dus 100 als de ruwe sterfte gelijk is aan de landelijke ruwe sterfte.
We mogen veronderstellen dat de betrouwbaarheid van ruwe sterftecijfers onomstreden is. Het aantal sterfgevallen wordt op het totaal aantal klinische opnames gedeeld. We gaan er vanuit dat die twee cijfers kloppen. Als indicator voor patiëntveiligheid is het echter geen valide maat, want ruwe sterfte houdt geen rekening met de zwaarte van de patiëntenpopulatie. De HSMR heeft op papier een grotere validiteit. De ziekenhuissterfte wordt namelijk gecorrigeerd voor risicofactoren zoals leeftijd, hoofddiagnose, ernstige nevendiagnoses en urgentie. Maar deze maat is weer minder betrouwbaar dan ruwe sterfte, tenminste in ziekenhuizen waar ze onjuist en onvolledig registreren. Daarnaast vinden critici dat de HSMR in de praktijk nog onvoldoende corrigeert voor casemix van de patiëntpopulatie. De verwachting is dat in academische en topklinische ziekenhuizen ondanks correctie de hoogste sterfte zal voorkomen. Maar is dat wel zo?
In bijgaande grafiek zetten we het geïndexeerde ruwe sterftecijfer af tegen de HSMR over 2012. Het eerste dat opvalt is dat academische en STZ ziekenhuizen qua ruwe sterfte niet uitgesproken slecht scoren. Qua HSMR overigens ook niet. De mogelijke verklaring: academische en STZ ziekenhuizen doen weliswaar hoogcomplexe zorg met relatief meer sterfte tot gevolg, echter dit vormt maar een klein deel van het totaal aantal opnames respectievelijk sterfgevallen van dit soort ziekenhuizen. Bij sommige diagnosegroepen binnen de HSMR is wel te zien dat ziekenhuizen met een regionale functie slechter uit de bus komen bij zowel de ruwe sterfteratio als de SMR. Bijvoorbeeld de traumacentra bij intracraniaal letsel. Dat is een voorbeeld van een diagnosegroep waar het standaardisatiemodel verfijnd kan worden, zodat er beter rekening wordt gehouden met het verschil in casemix.
De hier getoonde cijfers zijn primair geschikt en bedoeld als prikkel voor interne analyse.