Hieronder wordt antwoord gegeven op een aantal veelgestelde vragen over Real Time Monitoring (RTM). Vragen over HSMR of codering en registratie staan op een aparte pagina. Staat uw vraag er niet bij? Gebruikt u dan het zoekvenster rechts boven aan de de pagina of neemt u contact met ons op.
“De HSMR is niet betrouwbaar” is een uitspraak die nog wel eens wordt gedaan. Er is echter een onderscheid tussen de validiteit en de betrouwbaarheid. De validiteit van het HSMR model is goed; de c-statistiek, een statistische maat voor de voorspellende waarde van het model, is goed. De betrouwbaarheid heeft betrekking tot de onderliggende gegevens. Voor een ziekenhuis met onbetrouwbare of onvolledige LMR gegevens kan geen betrouwbare HSMR worden berekend. Maar dit wil niet zeggen dat de HSMR methode op zich onbetrouwbaar is.
Terug naar boven
De HSMR is opgebouwd uit de 50 diagnosegroepen die landelijk 80% van de ziekenhuissterfte veroorzaken. De diagnosegroepen zijn een verzameling van onderliggende ICD9 codes, volgens de internationaal gebruikte Clinical Classification System (CCS) indeling. Het gaat om de volgende diagnosegroepen:
1. Aandoeningen van vocht- en electrolythuishouding
2. Acute cerebrovasculaire aandoening
3. Acuut en niet gespecificeerd nierfalen
4. Acuut myocardinfarct
5. Alvleesklierkanker
6. Aneurysmata van aorta- en perifere en viscerale arteriën
7. Aspiratie pneumonie, door voedsel of braken
8. Blaaskanker
9. Borstkanker
10. Chronic obstructive pulmonary disease en bronchiectasie
11. Chronisch nierfalen
12. Colonkanker
13. Coma, stupor en hersenbeschadiging
14. Complicatie van apparatuur, implantaat of transplantaat
15. Complicatie van chirurgische procedure of medische zorg
16. Coronaire atherosclerose en overige hartaandoeningen
17. Darmobstructie zonder hernia
18. Deficiënties en andere anemie
19. Diabetes mellitus met complicatie
20. Diverticulose en diverticulitis
21. Galwegaandoening
22. Gastro-intestinale bloeding
23. Hartfalen, zonder hypertensie
24. Hartklepaandoeningen
25. Hartritmestoornis
26. Hartstilstand en ventrikelfibrilleren
27. Heupfractuur
28. Intracraniaal letsel
29. Kanker van rectum of anus
30. Leukemie
31. Leveraandoening, alcoholgerelateerd
32. Longkanker/ bronchuskanker
33. Maagkanker
34. Metastasen
35. Niet nader gespecificeerde tumoren of tumoren van onzekere aard
36. Non-Hodgkin lymfoom
37. Overige aandoeningen van de lage luchtwegen
38. Overige circulatoire aandoeningen
39. Overige gastro-intestinale aandoeningen
40. Overige leveraandoeningen
41. Perifere en viscerale atherosclerose
42. Pleuritis, pneumothorax, klaplong
43. Pneumonie
44. Prostaatkanker
45. Pulmonale hypertensie
46. Sepsis (behalve tijdens bevalling)
47. Shock
48. Slokdarmkanker
49. Trombose van aorta- en perifere en viscerale arteriën
50. Urineweginfectie
Terug naar boven
Momenteel wordt de HSMR voor de volgende factoren gestandaardiseerd:
• Jaar
• Leeftijd
• Geslacht
• Diagnosegroep (en eventuele subgroepen; bv. bij acute cerebrovasculaire aandoeningen is er een onderscheid tussen de bloedige en niet-bloedige variant)
• Charlson index voor comorbiditeit
• Sociaal economische status
• Maand van opname
• Urgentie van opname
• Herkomst van de patiënt
Jaarlijks wordt een nieuw standaardisatiemodel gemaakt op basis van het landelijke LMR bestand. Dan wordt gekeken of er een nieuwe factor meegenomen moet worden in de modellering. De herkomst van de patiënt heeft er bijvoorbeeld niet altijd ingezeten. Het is van belang om ieder jaar een nieuw model te maken om rekening te houden met landelijke ontwikkelingen. Denkt u bijvoorbeeld aan de dalende trend in ziekenhuissterfte, maar ook aan veranderingen/ verbeteringen in de manier van vastleggen (coderen). Veel ziekenhuizen verbeteren de registratie van nevendiagnosen: dit zal uiteindelijk de mate van invloed van de factor comorbiditeit in het standaardisatiemodel verkleinen. Vandaar dat dit ieder jaar opnieuw dient te gebeuren.
Terug naar boven
In de HSMR wordt de sterfte gestandaardiseerd voor case-mix factoren (jaar, leeftijd, geslacht, hoofddiagnose, comorbiditeit, sociaal economische status, maand van opname, urgentie van de opname en herkomst). Zware patiënten hebben vaak ook een hoge kans op sterfte, door bijvoorbeeld een ‘zware’ hoofddiagnose, hoge leeftijd, veel comorbiditeit en urgente opname. Als deze patiënt overlijdt, zal deze door de hoge sterftekans relatief weinig bijdragen aan de HSMR.
Terug naar boven
Dagopnames worden nu wel meegenomen in de gestandaardiseerde sterftecijfers, hoewel de invloed van sterfgevallen tijdens dagopnames op de HSMR klein is, omdat dit weinig voorkomt. Er zijn echter wel verschillen in de manier waarop bepaalde dagopnames worden gecodeerd; dit heeft echter wel effect op de HSMR. Een voorbeeld: bij dagopname voor chemotherapie leggen sommige ziekenhuizen de chemotherapie vast als diagnose, andere ziekenhuizen registreren het type kanker waarvoor de chemotherapie gegeven wordt als diagnose. In het nieuwe model, waar momenteel aan wordt gewerkt, op basis van de LMR gegevens van 2009, zullen de dagopnames niet meer meegenomen worden in de HSMR. Er wordt onderzocht wat het effect hiervan is op de HSMR.
Terug naar boven
Er wordt in het standaardisatiemodel geen rekening mee gehouden of het ziekenhuis een algemeen ziekenhuis een UMC, of een topklinisch ziekenhuis is,. Het uitgangspunt van de HSMR is namelijk dat er alleen wordt gestandaardiseerd voor kenmerken van de patiënt en niet kenmerken van de organisatie. Deels wordt met een topklinische/ academische functie rekening gehouden doordat er wel wordt gestandaardiseerd voor herkomst van de patiënt.
Terug naar boven
Er bestaat vaak verwarring over de vraag welke diagnose wordt gebruikt. De termen ontslagdiagnose, opnamediagnose, hoofddiagnose, primaire diagnose en doodsoorzaak worden allemaal gebruikt. Het gaat bij de HSMR en de cijfers in RTM om de diagnose die de reden was voor de opname. Als een patiënt dus bijvoorbeeld binnenkomt met een gebroken heup en gedurende de opname een pneumonie krijgt en daaraan overlijdt, is de diagnose in RTM de heupfractuur; dat was immers de reden van opname. Stel dat iemand met buikpijn het ziekenhuis binnenkomt vervolgens blijkt tijdens de opname dat het een blindedarmontsteking is, dan wordt de diagnose appendicitis (en niet buikpijn; dit is immers geen diagnose maar een symptoom).
Terug naar boven
In onderstaande tabel staan de aandoeningen die meetellen in de berekening van de Charlson index, het gewicht voor de Charlson index en de bijbehorende ICD9 codes. De gewichten van alle diagnosen van een patiënt worden bij elkaar opgeteld tot de Charlson score van die patiënt. Als maximum wordt 6 gehanteerd.
|
Aandoening
|
Gewicht
|
ICD-9-CM
|
|
Acuut myocardinfarct
|
1
|
410, 412
|
|
Hartfalen
|
1
|
428
|
|
Perifere vaatziekte
|
1
|
441, 4439, 7854, V434
|
|
Cerebrovasculair accident
|
1
|
430–438
|
|
Dementie
|
1
|
290
|
|
Pulmonale aandoeningen
|
1
|
490, 491, 492, 493, 494, 495, 496, 500, 501, 502, 503, 504, 505
|
|
Bindweefselaandoening
|
1
|
7100, 7101, 7104, 7140, 7141, 7142, 71481(nu 5171), 725
|
|
Maagzweer
|
1
|
531, 532, 533, 534
|
|
Leveraandoening
|
1
|
5712, 5714, 5715, 5716
|
|
Diabetes
|
1
|
2500, 2501, 2502, 2503, 2507
|
|
Diabetescomplicaties
|
2
|
2504, 2505, 2506
|
|
Paraplegie
|
2
|
342, 3441
|
|
Nieraandoening
|
2
|
582, 5830, 5831, 5832, 5833, 5835, 5836, 5837, 5834, 585, 586, 588
|
|
Kanker
|
2
|
14, 15, 16, 18, 170, 171, 172, 174, 175, 176, 179, 190, 191, 192, 193, 194, 1950, 1951, 1952, 1953, 1954, 1955, 1958, 200, 201, 202, 203, 204, 205, 206, 207, 208
|
|
Metastasen
|
3
|
196, 197, 198, 1990, 1991
|
|
Ernstige leveraandoening
|
3
|
5722, 5723, 5724, 5728
|
|
HIV*
|
2
|
042, 043, 044
|
*het officiële gewicht van HIV is 6; dit is aangepast naar een gewicht van 2 vanwege de verbeterde prognose.
Bron: Sundararajan et al. New ICD-10 version of the Charlson Comorbidity Index predicted in-hospital mortality. Journal of Clinical Epidemiology, 2004
Terug naar boven
Ten eerste maakt de HSMR methodiek gebruik van beschikbare (administratieve) data. Voor NICE of EUROSCORE is het vastleggen van gedetailleerde (klinische) waarden nodig. Daarnaast richten methodieken als NICE of de EUROSCORE zich op een specifieke (hoogrisico) afdelingen of patiëntgroepen. De HSMR methodiek is afdelingsoverstijgend, omdat het de patiënt als het ware volgt van opname tot ontslag en dus door het hele ziekenhuis.
Terug naar boven
Om de HSMR van uw ziekenhuis nader te analyseren, raden we aan stapsgewijs te werk te gaan zoals op deze website omschreven. Uiteraard kunt u met RTM o.a. de HSMR nader analyseren en inzoomen op patiëntgroepen en onderliggende cases. Ook krijgt u met RTM een actueel beeld van de HSMR en overige cijfers; er is maandelijks een update met de meest recente LMR gegevens van uw ziekenhuis.
Terug naar boven
Een van de standaardisatiefactoren in het HSMR model is de sociaal economische status, die gekoppeld is aan de 4-positie postcode van de patiënt. Uiteraard zijn er uitzonderingsgevallen, waarbij bijvoorbeeld een villa aan de rand van een achterstandswijk staat. Maar er wordt per diagnosegroep gekeken of de sociaal economische satus invloed heeft op de sterftekans; alleen als dat zo is, wordt ervoor gestandaardiseerd.
Terug naar boven
In Nederland hebben niet alle ziekenhuizen een hospice in de buurt, waardoor patiënten vaker in het ziekenhuis overlijden dan in ziekenhuizen die wel een hospice in de buurt hebben waar ze deze patiënten naar doorverwijzen. Door nadere analyse van uw (HSMR)cijfers kan duidelijk worden om hoeveel patiënten het gaat en hoe groot de invloed op de cijfers is.
In Engeland wordt gecodeerd wanneer patiënten voor palliatieve doeleinden worden opgenomen. Dit wordt als verklarende factor meegenomen in de modellering. In Nederland wordt dit item niet gecodeerd, hierdoor kan het dus helaas (nog) niet worden meegenomen in de modellering. Wellicht dat dit wel een item wordt in de nieuwe Landelijke Basisregistratie Ziekenhuizen (LBZ, de opvolger van de LMR). Deze patiënten zullen dan een sterftekans van 100% toegekend krijgen. Het is wel van belang dat dit item strikt wordt gedefinieerd en vastgelegd. Alleen patiënten waarvan bij opname is vastgesteld dat het om palliatieve patiënten gaat, zouden palliatief mogen worden genoemd.
Terug naar boven
Een van de standaardisatiefactoren van de HSMR is de herkomst van de patiënt: of de patiënt uit de eigen woonomgeving, of uit een ander ziekenhuis wordt doorverwezen. Hierdoor wordt er rekening gehouden met doorverwijzing van patiënten tussen ziekenhuizen. Per diagnosegroep wordt gekeken of deze factor invloed heeft op de sterftekans. Als dat het geval is, wordt voor die diagnosegroep de herkomst van de patiënt meegnomen in het standaardisatiemodel.
Terug naar boven
Een aantal globale checks worden op de LMR gegevens gedaan om per ziekenhuis te kijken of een betrouwbare HSMR te berekenen is. Uiteraard zijn dit slechts kwantitatieve checks, die nog niets zeggen over de inhoudelijke juistheid van de gegevens. Maar het is een indicatie. Als aan deze checks niet voldaan wordt, is de HSMR berekening in ieder geval niet betrouwbaar genoeg. De inhoudelijke juistheid van de codering kan worden onderzocht door met RTM cases te selecteren en daarbij de gecodeerde gegevens naast het patiëntendossier en bv. de ontslagbrief te houden. Dan wordt al snel duidelijk of bijvoorbeeld de juiste hoofddiagnose en nevendiagnosen zijn vastgelegd. Als dit niet het geval is, dan kan dat twee oorzaken hebben: enerzijds kan de verslaglegging in de ontslagbrief onvolledig zijn. De codeur heeft dan onvoldoende informatie gekregen om volledig te coderen. Anderzijds kan het zijn dat de codeur bijvoorbeeld een verkeerde code heeft gebruikt. Een oorzaak hiervan kan zijn dat er onduidelijkheid is over gehanteerde terminologie. Hoe moet een codeur bijvoorbeeld ‘Acuut coronair syndroom’ coderen? Het is goed als codeurs en artsen hier afspraken over maken, zodat er duidelijkheid is over wat wordt bedoeld.
HSMR checks: bij de berekening van de HSMR op basis van 2008 zijn de volgende checks gedaan om te kijken of de LMR gegevens van een ziekenhuis betrouwbaar genoeg waren voor het berekenen van de HSMR:
|
HSMR checks (op gehele LMR dataset van het ziekenhuis)
|
Gestelde norm
|
|
Aandeel urgente patiënten (van klinische opnamen)
|
>30%
|
|
Gemiddeld aantal nevendiagnosen
|
>0,3
|
|
Aandeel vage diagnosecodes (ICD9 codes 799.8 en 799.9)
|
<5%
|
|
Verwachte sterfte
|
>50
|
|
Aandeel sterfte in HSMR diagnosen
|
>70%
|
Het kan zijn dat deze checks enigszins aangepast worden of dat de normering wordt aangescherpt bij de HSMR berekend over 2009. Als hier meer duidelijkheid over is zullen we hierover berichten op deze website.
Terug naar boven
|