Real Time Monitoring van de HSMR

     
FAQ over codering PDF Afdrukken E-mail
  
Hieronder wordt antwoord gegeven op een aantal veelgestelde vragen over Real Time Monitoring (RTM). Vragen over HSMR of codering en registratie staan op een aparte pagina. Staat uw vraag er niet bij? Gebruikt u dan het zoekvenster rechts boven aan de de pagina of neemt u contact met ons op.

Ons ziekenhuis begint weer met coderen en aanleveren voor de LMR. Waar moeten we bij het registreren op letten om de HSMR te kunnen berekenen? 

Voor het berekenen van de HSMR en overige cijfers in RTM is een goede diagnoseregistratie van belang. Momenteel wordt de ICD9 nog als diagnoseclassificatie gebruikt in Nederland. Er wordt gewerkt aan de overgang naar de opvolger daarvan, de ICD10. Het is de bedoeling dat vanaf 2013 de ICD10 in alle ziekenhuizen wordt gebruikt. 

Er zijn een aantal eisen gesteld waaraan de registratie moet voldoen om een betrouwbare HSMR te kunnen berekenen voor een ziekenhuis. Zo mogen er niet te veel ‘vage’ diagnosecodes worden gebruikt en moeten er voldoende nevendiagnosen worden geregistreerd. Naast de berekening van gestandaardiseerde sterftecijfers (SMR’s) per diagnosegroep, kunnen SMR’s ook per verrichtinggroep worden berekend. Daarvoor moeten de verrichtingen in de LMR worden vastgelegd. Momenteel wordt dat nog volgens de Classificatie van Verrichtingen (CvV) gedaan. In de toekomstige LBZ registratie (de opvolger van de LMR) wordt de CBV als verrichtingenclassificatie gebruikt. 

Voor specifieke vragen over codering en registratie in uw ziekenhuis kunt u contact met ons opnemen.

Terug naar boven

Hoe staat het met de overgang van LMR in LBZ? 

De Landelijke Medische Registratie (LMR) gaat op in de Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ). Naast de klinische gegevens uit de LMR zullen ook de poliklinische gegevens worden opgenomen. Daarnaast wordt bij de invoering van de LBZ ook van ICD9 naar ICD10 diagnosen overgegaan en van CvV naar CBV verrichtingen. 

Meer informatie over de LBZ.
Meer informatie over de invoering van
ICD10.

Terug naar boven

Wij coderen comorbiditeit slecht, wat is daarvan de invloed op onze HSMR?

De comorbiditeit is een van de factoren waarvoor de HSMR en overige cijfers worden gestandaardiseerd in RTM middels de Charlson index. Als er te weinig nevendiagnosen worden vastgelegd door het ziekenhuis, zal hierdoor de verwachte sterfte onderschat worden. Daardoor zal de HSMR hoger uitvallen. Het is daarom van belang dat de nevendiagnosen op een goede manier worden geregistreerd; dit begint bij het vastleggen door de arts in o.a. de ontslagbrief. 

Terug naar boven

Hoe zit het met verschil in codering tussen ziekenhuizen? 

Er zijn verschillen in de vastlegging tussen ziekenhuizen. Denkt u  bijvoorbeeld aan het aantal nevendiagnosen dat wordt vastgelegd en de diagnoseregistratie bij dagopnames voor chemotherapie(?dit is niet echt duidelijk). Het is bekend dat  deze verschillen in registratie invloed hebben op de HSMR cijfers (V.d. Bosch e.a., NtvG). Momenteel werken ziekenhuizen aan het verbeteren van de registratie. Landelijk worden er ook (betere) afspraken gemaakt om meer uniformiteit in codering en vastlegging te krijgen. Zo is gebleken dat er rondom urgentie, een ogenschijnlijk eenduidige factor, verschillen bestaan over de wijze van vastlegging. Het invoeren van de Landelijke Basisregistratie Zorg (LBZ) biedt een kans om betere afspraken te maken, zodat er uiteindelijk meer uniformiteit in registratie komt.

Terug naar boven

Gaat de arts uiteindelijk de diagnose coderen, of blijft de codeur dit doen?

Met de invoering van de ICD10 diagnosecodering wordt deze diagnoseregistratie ook gebruikt voor afleiding van de DBC’s. Daarmee komt er een grotere rol voor de arts in de ICD diagnoseregistratie dan nu het geval is. Er zal echter altijd een rol voor de codeur blijven. Er zijn verschillende varianten mogelijk. Enerzijds kan de vastlegging van de ICD10 diagnose geheel door de arts gebeuren. Dit vergt echter veel van de arts; deze moet dan goed opgeleid worden in het gebruik van ICD10 om de diagnose goed vast te leggen. In eerste instantie de hoofddiagnose, maar ook de nevendiagnosen en die kunnen buiten zijn of haar vakgebied liggen. Anderzijds kan de vastlegging volledig door de codeur gedaan worden. Er is ook een tussenvariant mogelijk, waarbij de arts een globale hoofddiagnose vastlegt en de codeur verdere detaillering daarin aanbrengt en de codering van de nevendiagnosen uitvoert.  De praktijk zal moeten uitwijzen voor welke variant ziekenhuizen zullen kiezen en wat de ervaringen hiermee zijn.

Terug naar boven

Wat is de impact van de overgang van ICD9 naar ICD10 op RTM? 

Momenteel worden diagnosen in de LMR vastgelegd volgens de ICD9 classificatie van diagnosen. In 2012 wordt overgegaan naar de ICD10 diagnoseclassificatie, de opvolger van ICD9. Voor beide classificaties kun je de CCS indeling van diagnosegroepen toepassen. In RTM worden de SMR's per diagnosegroep gepresenteerd, en dit kan dus ook na overgang op ICD10.  

Terug naar boven 

 

De Praktijk Index

Snelkoppelingen

Copyright 2009, De Praktijk Index. Alle rechten voorbehouden.